Opbouw van de processie

De Mariaprocessie is een eeuwenoude traditie binnen onze stad. Ze bevindt zich zoals vele processies in het spanningsveld cultuur, erfgoed én religie. Elke pool is even belangrijk: als broederschap willen we immers een toegankelijke processie bekomen, die een aangename beleving wordt voor iedereen (toeschouwer, figurant én medewerker).

De processie zal uit drie grote delen bestaan: een historisch deel (5 taferelen), een Mariaal deel (6 taferelen) en het deel toegewijd aan de O.L.-Vrouw van Halle. Het historisch deel werd geactualiseerd. Het Mariale deel werd vernieuwd en behandelt de maatschappelijke vraagstukken van deze tijd. Tenslotte zal na het beeld van O.L.-Vrouw de monstrans met het
H. Sacrament worden meegedragen.

Het lijkt ons nuttig de verschillende taferelen kort te duiden.

Historisch deel

In het historische deel wordt de geschiedenis van de stad Halle verteld. We gaan hierbij uit van de legenden die door de eeuwen heen werden overgeleverd. De historische waarheid wordt hierdoor soms wat herschreven …

Tafereel 1 – Het begin

We beginnen onze boeiende reis in de zevende eeuw. Amandus en Autbertus waren twee missiebisschoppen die het geloof in onze steek kwamen verkondigen. Zij gebruiken in hun missionering het beeld van “Jezus, de goede herder”. Een herder met zijn kudde schapen staat hiervoor symbool.

Amandus zou rond het jaar 594 geboren zijn in de buurt van de Franse plaats Nantes. De paus wijdde hem daar tot bisschop zonder vaste zetel. Van dat moment af verkondigde hij het evangelie in Vlaanderen. Hij stichtte een flink aantal kloosters, o.a. St-Amandsberg en van klooster Sint-Pieters te Gent, alsmede het klooster in het naburige Drongen. Veel van zijn stichtingen vernoemde hij naar Sint Petrus, voor wie hij een bijzondere devotie had. Amandus wordt in de kunst vaak afgebeeld met een draak, die de heidense rituelen voorstelt die hij bestreed. De draak ligt meestal aan zijn voeten en bijt soms in zijn staf.

Autbertus werd door de aartsbisschop van Reims tot bisschop gewijd van de gecombineerde zetels Cambrai en Arras in het huidige Noord-Frankrijk. Autbertus werkte in onze streken vaak samen met bisschop Amandus. Hij is de patroon van de bakkers en de banketbakkers. Hij wordt afgebeeld met een bakkersschep of ovenschep; met een ezel beladen met zakken vol brood of met bakkers die broden kneden en in de oven doen. Een legende vertelt dat de heilige broden liet bakken, ze zelf naar de stad bracht en het geld dat hij ervoor ontving, weer bestemde voor de armen.

Rond 635 werd in Halle het eerste kerkje gebouwd door Woubert en Berthilde. Woubert was domesticus (hofmeier) aan het hof van de Merovingische koning Clotharius II en hij was heer van het landgoed van Halle. Het kerkje is vermoedelijk gebouwd nabij een waterput en een boom waar volgens de overlevering een beeld van Onze-Lieve-Vrouw zou gehangen hebben.

Sommige historici vermoeden dat de boom een pre-christelijke cultusplaats zou zijn geweest die door Aubertus en Amandus zou zijn gekerstend. In de crypte van de Sint-Martinusbasiliek zijn resten van deze boom nog steeds zichtbaar. Feit is dat het kersteningsoffensief van de Kerk in Europa focuste op de cultusplaatsen van de lokale geloofscultus. Dat de kerk van Halle gewijd werd aan Sint-Martinus kan dit vermoeden ondersteunen. Sint-Martinus was immers een zeer populaire heilige in de jonge Kerk die, volgens de overlevering ooit tijdens zijn kersteningsactiviteiten een cultusboom geveld zou hebben. Om de lokale bevolking van het Christelijke geloof te overtuigen bleef hij onder de vallende boom staan en dwong hij deze door gebed naast hem te doen vallen. Dit mirakel kan de toenmalige bevolking in de regio Halle hebben overtuigd en verklaren waarom de kerk Sint-Martinus als patroonheilige kreeg.

Halle wordt steeds groter en wint in belang. In de 13de eeuw (1225) worden aan Halle de stadsrechten verleend door Johanna van Constantinopel, gravin van Vlaanderen en Henegouwen.

In 1267 bracht Aleydis van Avesnes het Mariabeeld naar Halle. Met deze schenking wilde Machteld van Brabant de belangen van haar kleinzoon Jan II van Avesnes bekrachtigen ten aanzien van de graven van Vlaanderen. Het beeld van de O.L.-Vrouw van Halle zou tot een reeks van drie of vier Mariabeelden behoren, in het bezit van de heilige Elisabeth van Hongarije en Thüringen. Elisabeth schonk de beelden aan haar dochter Sofia van Thüringen, gehuwd met de Brabantse hertog Hendrik II. Sofia schenkt drie van deze beelden op haar beurt aan haar schoonzus, Machteld van Brabant, echtgenote van Floris IV, graaf van Holland en Zeeland, heer van Halle. Bij testament had Machteld haar dochter Aleydis van Avesnes belast met de schenking van één van de drie beelden aan de kerk van Halle. Op deze manier wou ze het erfrecht van haar kleinzoon Jan van Avesnes op het Graafschap Henegouwen bekrachtigen.
Het beeld werd evenwel niet aan de kerk maar wel aan de stad geschonken. Die schenking heeft lang tot een bizarre traditie geleid. Wanneer het beeld van haar vaste plaats moest gehaald worden om in processie door en rond de stad gedragen te worden, haalde de stadsmagistraat het van haar sokkel om het tijdelijk aan de geestelijkheid over te dragen. De magistraat plaatste het beeld daarna terug.

Tafereel 2 – Bouw en wijding van de Sint-Martinuskerk

De huidige kerk – nu basiliek – werd gebouwd van 1341 tot 1409. Op dat moment bestond de Onze-Lieve-Vrouwekapel reeds waarin tot en met de negentiende eeuw het beeld van de zwarte madonna bewaard werd. Men zou de kerk op de kapel laten aansluiten. De kerk werd op 25 februari 1410 ingewijd door kardinaal Pierre d’Ailly, bisschop van Kamerijk.

De patroonheiligen van de kerk zijn (1) de Heilige Martinus, (2) de Heilige Catharina van Alexandrië en (3) de Heilige Gertrudis van Nijvel.

De Heilige Martinus wordt voorgesteld als de romeinse soldaat die de helft van zijn mantel aan een bedelaar schenkt. De andere helft mocht hij niet weggeven, want deze was betaald door het Romeinse leger.

Catharina wordt afgebeeld met een boek als teken van haar wijsheid. Daar ze Keizer Maxentius had afgewezen, wilde deze haar laten radbraken, maar in plaats van Catharina brak het rad. Het gebroken rad wordt meegedragen in de processie.

Vele mensen geloofden dat de ziel, na het verlaten van het lichaam, de eerste nacht bij Gertrudis bleef, de tweede bij de engelen en de derde ten slotte naar de plaats vloog die voor haar bestemd was. Dat zou de reden zijn waarom Sint Gertrudis wordt afgebeeld met muizen: zij symboliseren de ziel van de overledenen.

De Sint-Martinuskerk werd in 1948 verheven tot basiliek (basilica minor). Een basilica minor kan men onderscheiden aan het conopeum of umbrella (een parasol bestaande uit stroken zijde in de oude pauselijke kleuren geel en rood) en het tintinnabulum (een klokje in edelmetaal). Beide symbolen worden meegedragen in de processie.

Tafereel 3 – De bedevaarten

De “Babylonische ballingschap der pausen” was de periode waarin de pausen niet in Rome zetelden maar in Avignon. Pausen en tegenpausen werkten elkaar tegen. De institutionele crisis van de Kerk leidde ertoe dat de lekenbevolking niet meer wist wie ze nu moesten geloven. Er ontstond een meer persoonlijke geloofsbeleving met veel bijval voor de bedevaarten. De gewone gelovige leek sloot zich aan bij broederschappen ter ere van een heilige en nam deel aan feesten en processies ter diens ere. Dit gebeurde ook in Halle.

In 1335, nog vooraleer met de bouw van de huidige Sint-Martinuskerk begonnen werd, werd een pauselijke bul – in feite een “collectieve bisschoppelijke bul” – verleend. De namen van maar liefst 18 hooggeplaatste geestelijken worden vermeld. De bul verleende onder meer 40 dagen aflaat aan wie de bouw van de Sint-Martinuskerk geldelijk steunde én aan wie in Halle deelnam aan de jaarlijkse processie. Hieruit blijkt dat de processie reeds vóór 1335 bestond.

Halle lag op de grens tussen Henegouwen en Brabant en behoorde in de 14de en de 15de eeuw tot het graafschap Henegouwen (en niet tot het hertogdom Brabant of het graafschap Vlaanderen). Door regelmatig schenkingen aan de stad te geven wou Henegouwen zijn aanspraken op Halle bevestigen, o.a. het beeld van O.L.-Vrouw van Halle. Een groot deel van de hedendaagse kerkschat, met een verzameling kelken, kant- en borduurwerk, werd op deze manier verzameld. De kerkschatten zijn te bezichtigen in de crypte van de basiliek.

In de crypte wordt het “Gulden Boek van de Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van Halle” bewaard. Het boek in handschrift is in kalfsleer gebonden en bevat perkamenten bladzijden uit de vijftiende eeuw. Een bijlage bestaat uit papieren bladzijden.

Uit het boek blijkt dat de broederschap werd opgericht in 1344 na de goedkeuring van paus Clemens VI. (Onze broederschap is dus ouder dan de Edele Confrérie van het Heilig Bloed uit Brugge, die pas na 1400 werd gesticht). Het boek omvat drie delen: de privileges van de broederschap, een beschrijving van 61 mirakels die aan de zwarte madonna worden toegeschreven en een lijst met de namen van een tienduizendtal “die broeders ende zusters” die lid waren van de broederschap.

Filips de Stoute was hertog van Bourgondië, graaf van Vlaanderen, Artesië, Réthel en Nevers en heer van Mechelen en Salins. Maar omdat Halle in het graafschap Henegouwen lag, had Filips er niets te zeggen. Filips de Stoute is met zekerheid 2 keer te Halle geweest. De tweede keer was op 26 en 27 april 1404 toen hij van Brussel in Brabant naar Halle overgebracht werd om er in de herberg “Den Hert” op de Grote Markt te sterven, meer dan waarschijnlijk ten gevolge van griep. Zijn ingewanden werden begraven in de crypte van de Sint-Martinuskerk te Halle.

Filips de Goede was hertog van Bourgondië. Het Bourgondische gebied omvatte de Lage Landen met uitzondering van Friesland, Gelre, de prinsbisdommen Luik, Utrecht en een aantal kleinere gebieden die nooit tot de Zeventien Provinciën zullen behoren. Hij werd graaf van Henegouwen in 1433. Halle maakte vanaf dan deel uit van het Bourgondische gebied. Filips zou Halle minstens 21 keer bezoeken, waarvan minstens 2 keer met zijn zoon Karel de Stoute.

Karel de Stoute wilde de keizerskroon van het Heilig Roomse Rijk van Maximiliaan overnemen. Na veel manipulaties werd hij in 1530 te Bologna door paus Clemens VI tot keizer gekroond. In 1520 kwam
Karel V samen met zijn broer Ferdinand – die na hem keizer zou worden – vanuit Brussel te voet naar Halle om Onze-Lieve-Vrouw van Halle te bedanken voor zijn verkiezing tot koning. Karel schonk de zwarte madonna een kostbaar kleed, dat later verloren is gegaan.

Karel V trad in 1556 af. Zijn zoon Filips II volgde hem in de Nederlanden en de Iberische gebieden op. Hij zou zijn vaders testament scrupuleus uitvoeren. De niet-katholieke christenen werden met alle mogelijke middelen bestreden. Veel edelen konden zich niet akkoord verklaren met Filips’ politiek. Op 5 april 1566 gaven ze te Brussel het “Smeekschrift der Edelen” af aan landvoogdes Margaretha van Parma, waarin ze vroegen erin om de doorgevoerde hervormingen terug te draaien.

Filips III van Croÿ, gemoedelijk ‘Aarschot’ genoemd, was één van de edelen die Filips onvoorwaardelijk trouw bleef. Hij liet katholieke, antigeuzenpenningen slaan. Het waren rechthoekige medailles met afgeschuinde hoeken. De ene zijde toont de zwarte madonna van Halle, omhangen met een Spaanse “rock” of kleed. Het opschrift duidt in afgekorte vorm aan om wie het gaat: N.Dam.de.Hal (Onze-Lieve-Vrouw van Halle). Op de andere kant wordt Christus afgebeeld met als opschrift Salvator Mundi (redder van de wereld).

Vóór zijn huwelijk met zijn achternicht Isabella kwam aartshertog Albrecht van Oostenrijk eerst naar Halle, waar hij zijn kardinaalspurper aflegde op het hoofdaltaar van de kerk. Na hun machtsovername verbleven Albrecht en Isabella nog vaak in de stad. Albrecht en Isabella hebben de zwarte madonna met tal van giften (waaronder een rijkelijk versierd kleed) vereerd.

In de 15de en 16de eeuw gaan drie kloosterordes – de grauwzusters (in 1556), de jezuïeten (in 1621) en de minderbroeders (in 1627) – zich binnen de stadsmuren van Halle vestigen.

De grauwzusters – ook Grauwe zusters genoemd – waren godsvruchtige vrouwen die leefden volgens de Derde Regel van Sint-Franciscus. Hun stichtend voorbeeld was Elisabeth van Thüringen, die ondanks alle tegenkanting, de armen en zieken terzijde bleef staan tijdens de hongersnood van 1226.

In 1621 deden de Jezuïeten hun intrede te Halle. Op vraag van de stadmagistraat begonnen de paters les te geven en een volledige humaniora uit te bouwen. Het Jezuïetencollege werd vermoedelijk gebouwd tussen 1647 en 1653. Ze lieten de zogenaamde “mirakelschilderijen” schilderen als lesmateriaal voor catechese.

Tafereel 4 – Halle, een politiek belangrijke Stad

Na de dood van Maria van Bourgondië weigerden de Staten van Vlaanderen haar weduwnaar Maximiliaan van Oostenrijk als regent te aanvaarden. Vlaanderen installeerde een regentschapsraad om Vlaanderen te besturen. Later sloten Brabant en Henegouwen zich bij die beslissingen aan. Maximiliaan had het op die overeenkomst niet begrepen en verzette zich.

Filips van Kleef was een invloedrijk persoon die de kant koos van de Staten wiens rechten hij gewapenderhand verdedigde.
Drie keer heeft van Kleef geprobeerd om Halle, dat de kant van Maximiliaan gekozen had, in te nemen. De Kolveniers van Sint-Christoffel, de Handboogschutters van Sint-Sebastiaan en de Kruisboogschutters van Sint-Joris verdedigden Halle. Tijdens zijn laatste aanval werden meer dan vijfhonderd kanonballen op Halle geschoten. Volgens de legende ving Onze-Lieve-Vrouw alle kanonballen op in haar mantel en werd aldus zwart van het roet. In een nis onder de westertoren worden nog steeds ijzeren en stenen kanonballen bewaard. Er zouden er 32 liggen.

De Habsburgse Nederlanden worden tussen 1543 tot 1585 onder de benaming “De Zeventien Provinciën” aangeduid.

Olivier van den Tympel, werd door Willem van Orange, dé leider van de opstand tegen Filips, aangeduid als gouverneur te Brussel. Olivier moest onder meer beletten dat Alexander Farnese de stad zouden innemen. Halle was een ideale uitvalsbasis om Brussel aan te vallen. Olivier besloot dan ook om Halle in te nemen. Op 9 juli viel Olivier de stad aan. Hoewel Olivier de hoogte van de stadsmuren kende, waren zijn ladders te kort. De reden was dat Olivier in Brabantse voeten rekende terwijl men dat te Halle in de grotere Henegouwse voeten deed. Een gelukkige spraakverwarring voor Halle!

Tafereel 5 – Het beeld wordt gekroond

Een pauselijke kroning is een katholieke kroningsritus toegekend aan een genadebeeld. Op 4 oktober 1874 werd in opdracht van Paus Pius IX het beeld van Onze-Lieve-Vrouw van Halle plechtig gekroond door Kardinaal Dechamps, aartsbisschop van Mechelen, bijgestaan door drie andere bisschoppen. De originele bisschopsstaf van de kardinaal wordt mee gedragen.

Pius IX had een oproep aan de gehele katholieke wereld gedaan om jonge, ongehuwde mannen te zenden om hem bij te staan om de dreigende verovering van Rome – de Risorgimento – te voorkomen. Met deze soldaten werd een infanterie-eenheid gevormd: de Pauselijke Zoeaven (Zuavi Pontifici). De snit van hun uniformen was bijna gelijk aan die van de Franse zoeaven. Als hoofddeksel droegen de pauselijke troepen een kepie; een fez werd gezien als te islamitisch voor de katholieke strijders. Samen met de Zwitserse Garde vormden de Pauselijke Zoeaven het leger van de kerkelijke staat

Op bedevaart gaat werd soms “uitbesteed”. Rosine Broecke uit Ledegem kwam in de periode rond 1900 minstens honderd keer te voet naar Halle op bedevaart in opdracht van katholieke rijke burgers. Hoe meer men haar betaalde, hoe zwaarder de klompen die ze tijdens de bedevaart droeg.

 

Rond de Mariaverering ontwikkelden gewiekste Hallenaren een echte industrie rond de “bedevaartvaantjes”. Elk jaar werd er een nieuw vaantje ontworpen en verkocht. Pelgrims kochten deze vaantjes als herinnering en bewijs van hun bedevaart. Deze praktijk gaf de Hallenaren hun bijnaam van Vaantjesboeren.

We nodigen alle Halse verenigingen uit om met een delegatie mee te stappen, liefst met hun vlag, … .

Het historische deel wordt hiermee afgesloten.

Nu volgt het Mariale deel van de processie

Het Mariale deel werd grondig aangepast: daar waar vroeger het leven van Maria werd uitgebeeld, willen we nu actuele, maatschappelijke vraagstukken uitbeelden vanuit een Mariale context.

Tafereel 6 – Zorgen voor elkaar – Geen racisme

Racisme is in de wereld van vandaag een van dé grote problemen, ook bij ons. Maria maakt geen onderscheid tussen de verschillende mensen: iedereen is voor haar gelijkwaardig. Haar beeltenis wordt overal in de wereld in verschillende vormen voorgesteld: in Halle wordt de “zwarte Madonna” vereerd; in andere bedevaartsoorden is ze blank of geel.

Tafereel 7 – Bidden met de voeten – Op weg met Maria

Maria is bij uitstek het voorbeeld van geloven. Zij geeft zich over, ondanks haar twijfels.

Bij veel gelovigen neemt Maria een belangrijke plaats in. Vooral het menselijke aspect van Maria spreekt aan. Maria is een moeder, zoals zo velen; een moeder die lijdt vanwege haar zoon. Gewone mensen kunnen zich met haar identificeren; God en Christus zijn soms zo hoog en verheven.

Bidden is moeilijk. Vroegen zelfs de apostelen niet “Heer, leer ons bidden”? Veel mensen bidden tot God via Maria door (te voet) op bedevaart te gaan naar een plaats waar Maria vereerd wordt. Zo ook naar Halle.

Tafereel 8 – Vluchten naar een betere wereld?

Veel mensen zijn op de vlucht. Ze hopen op een betere toekomst. Maar de rijke wereld staat niet te springen om hen op te vangen; integendeel. We bouwen letterlijk muren om ze buiten te houden.

Ook Maria heeft dit meegemaakt: er was geen plaats voor hen in de herberg. Geweld deed hen vluchten naar Egypte.

Tafereel 9 – Geen hoop zonder vrede. Maria vangt de kogels op

Vrede is een van de belangrijkste, christelijke waarden. Oorlog heeft nog maar zelden iets opgelost. Gods gedachten over ons zijn zonder uitzondering positief. Al Gods gedachten over ons als mensen zijn erop gericht om ons vrede, hoop en een toekomst te geven.

Maria staat voor “vrede”. Ving ze de kogels van van Kleef niet op in haar mantel?

Tafereel 10 – Pinksteren. Kom buiten!

«Er is geen Pinksteren zonder de Maagd Maria. Zo is het altijd geweest en zo was het onlangs in Fatima, waar we allen één van hart en ziel waren. » (Paus Benedictus XVI, 2010).

De kerk mag geen museum worden; een mooi gebouw waarin wij ons bang opsluiten “om feest te vieren”. De eerste christenen waren zoals wij nu: ze zaten met gesloten ramen in het Cenakel, vermoeid, ontmoedigd en ontgoocheld.

Maar op Pinksteren werd de Kerk echt binnenste buiten gekeerd: ze keek niet meer achterom of naar zichzelf. Ze stapt resoluut naar buiten en neemt deel aan het leven in de maatschappij!

Tafereel 11 – Laudate si’ – Onze natuur

De encycliek “Laudato si’ ” van Franciscus zou wel eens de Rerum Novarum van de ecologie kunnen worden. Voor paus Franciscus zijn immers ecologie en economie aan elkaar geklonken.

Zijn we niet als “rentmeester” aangesteld over gans de schepping? Dit “rentmeesterschap” gaat over hoe we als mensen (mede)verantwoordelijk zijn om van het leven op deze wereld iets goeds te maken voor onszelf én voor de anderen en hoe we op een positieve manier gebruik maken van alles wat God ons ter beschikking heeft gesteld. We moeten de natuur respecteren zodat wij én de komende generaties gelukkig en vrij kunnen blijven leven op onze planeet. We hebben er immers maar één.

In de kunst wordt Maria regelmatig voorgesteld met een kind op de arm en een wereldbol aan haar voeten. Rond dit thema wordt dit tafereel uitgewerkt. De maquette van de nieuwe praalwagen ziet u in de bijgaande foto.

Onze-Lieve-Vrouw van Halle

We komen nu bij de essentie van de processie: het beeld van de Onze-Lieve-Vrouw van Halle en het H. Sacrament in de monstrans.

De gekende broederschappen van O.L.-Vrouw (ooit waren er meer dan 75 broederschappen van Onze-Lieve-Vrouw van Halle in België alleen), de beelden van de parochies van de zone Halle, de kerkelijke en burgerlijke overheden en uiteraard wij de parochianen van Halle en ver erbuiten begeleiden het beeld.

 

Wij nodigen iedereen dan ook zeer graag uit de processie te volgen en de eucharistieviering in het Mariahof na de processie mee te vieren.

 

Vind ons ook op